Wild

De volgende column verscheen (in de rubriek “Het Hart”) op 19 februari in Tertio:

Stel je maar even voor : je moeder is vier jaar geleden overleden, je hebt je familie (stiefvader, broer en zus) in die vier jaar voelen uiteenvallen, je zet je huwelijk op het spel door allerlei kortstondige seksuele zijsprongetjes en je experimenteert met heroïne. Je zou voor minder een emotioneel wrak zijn. Dat moet zo ongeveer de beginsituatie geweest zijn voor Cheryl Strayed wanneer ze als 26-jarige het plan opvat om te voet een deel van de Pacific Crest Trail (PCT) te doen, een wandelpad in het westen van de VS, door Californië, Oregon en Washington, van de Mexicaanse tot de Canadese grens. Strayed verkoopt hebben en houden, investeert wat in trekmateriaal en begint eerder onbezonnen aan haar queeste.

Want een queeste is het wel degelijk. Ze komt tijdens haar 1700 km lange voettocht zichzelf tegen. Haar innerlijke strijd is hard, maar gaandeweg krijgt ze meer vrede met de wereld rondom haar en – vooral – met wie ze uiteindelijk is. Meermaals geeft ze in haar boek (Wild. Over jezelf verliezen, terugvinden & 1700 kilometer hiken) aan dat de PCT naast een fysieke uitputtingsslag ook een spirituele onderneming is, een ware pelgrimstocht.

De fysieke confrontatie (hitte, regen, sneeuw, pijnlijke voeten, geschuurde schouders en heupen) brengt haar tot op de bodem van zichzelf. Cheryl Strayed breekt zichzelf bijna letterlijk helemaal af om daarna weer op te bouwen. In de ontberingen ervaart ze de schoonheid van het landschap en de haar omringende natuur, zelfs tegenover de gevaarlijke beren en ratelslangen, en vindt ze ten slotte innerlijke vrede. Ze heeft tijdens de tocht leren loslaten en vertrouwen.

Het vervult haar met diepe vreugde, ook al weet ze op dat moment niet wat de toekomst nog in petto heeft : « Het enige wat ik wist, was dat ik helemaal niets hoefde te weten. Het was genoeg om erop te vertrouwen dat wat ik gedaan had waar was. Genoeg om de betekenis aan te voelen, ook al kon ik die nog niet onder woorden brengen. (…). Genoeg om te geloven dat ik nooit meer met lege handen hoefde te staan. (…). Het was mijn leven. Net als al het leven mysterieus, onherroepelijk en heilig. Zo dichtbij, zo aanwezig, zo van mij.

Hoe wild het is, om alles te accepteren zoals het zich voordoet. »

Voor wie ooit een lange voettocht of andere pelgrimstocht ondernam, is dit wellicht herkenbaar. Dat maakt het boek ook zo menselijk : in alle gebrokenheid gaat een mens de uitdaging met zichzelf aan. Tijdens een moeilijke tocht en geconfronteerd met extreme natuurelementen ervaart diezelfde mens zijn eigen kleinheid. Het is pas in die kleinheid dat hij een diepere dimensie in zichzelf kan ervaren.

Die diepe rust is het begin van iets nieuws, iets dat groter is dan onszelf en waarvan we het einde niet kunnen zien. Het is het prille begin van een onzegbaar en niet te definiëren vertrouwen.

Die parabel van dat mosterdzaadje, zou die misschien ook daarover kunnen gaan ?