De werkers van het elfde uur

Vandaag mocht ik preken over de parabels van de werkers van het elfde uur. Niet zo makkelijk. Maar gelukkig zetten de twee andere lezingen ons op weg.

De herexamens zijn een tweetal weken achter de rug. Mijn studenten hebben – met wisselend succes – bijkomende proeven afgelegd zodat wij als leerkrachten kunnen beoordelen of er een gunstige evolutie zit in hun studieprestaties, of ze – in ons vakjargon – wel de nodige competenties hebben verworven. En het is maar goed ook dat docenten en studenten die beoordeling serieus nemen. Stel je maar eens even één moment voor dat we op het einde van de examens alle studenten hetzelfde resultaat zouden geven. We geven iedereen een 15, of je nu veel of weinig hebt gestudeerd, er vroeg of laat aan begonnen bent, de vragen juist of fout hebt beantwoord. Ik denk dat iedereen met de ellebogen aanvoelt dat dat niet zou werken. Voornamelijk wie hard gewerkt heeft, zou zich – terecht – oneerlijk behandeld voelen.

Als we het evangelie van vandaag beluisteren, dan hebben we daar wellicht dezelfde bedenkingen bij. En dan rijst de vraag: moeten we de parabel van de werkers van het elfde uur dan anders lezen? En als dat zo is, hoe moeten we hem dan lezen? We vinden een paar sleutels in de andere lezingen.

In de eerste lezing lezen we dit zinnetje, dat God in de mond wordt gelegd: “Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen.” We zouden er bijna over lezen, maar het is wel een belangrijke passage: God denkt niet zoals wij denken. En als het waar is dat God de “Gans Andere” is, dan laat Hij op een onverwachte manier weten wat we kunnen of moeten doen. En Hij doet dat door en met mensen.

Paulus is wat moeilijker te vatten. Daar lezen we: “Voor mij toch is het leven Christus en het sterven een winst. Maar blijf ik leven, dan wacht mij vruchtbare arbeid.” En op het einde: “(…) gij moet een leven leiden dat het evangelie van Christus waardig is.” Inderdaad, wie geworteld is in Christus, beseft dat het leven eindig is, maar hoopt dat de dood uiteindelijk niet het laatste woord zal hebben. En wie een leven leidt dat het evangelie van Christus waardig is, die brengt al een stukje van het Rijk Gods binnen in onze wereld. We moeten op het Rijk Gods dus niet wachten tot na onze dood. God gebeurt nu al. Tegelijk beseft Paulus maar al te goed dat wie Jezus volgt, een immense verantwoordelijkheid wacht.

Waarom zou Paulus dat “vruchtbare arbeid” kunnen noemen, terwijl zovele mensen (binnen en buiten de kerk) verzuipen in de verantwoordelijkheid die ze opnemen en tegen een burn-out aanlopen? Omdat hij precies beseft dat we als Kinderen van God niet alles kunnen doen. Een leven dat het evangelie van Christus waardig is, staat niet automatisch gelijk aan jezelf voorbijlopen en de hele wereld willen redden. Maar we kunnen wel beginnen op het kleine stukje Schepping dat ons is toevertrouwd, aan de mensen die ons zijn toevertrouwd, in de kleine dingen van elke dag: een hartelijke groet aan de collega’s, een losse babbel met een oude buur, een ontspannend moment in gezinsverband. Daar moeten we geen lange formulieren voor invullen of budgetten voor vrijmaken.

Zou het niet dat zijn wat Jezus bedoelt met zijn parabel? Hij heeft het niet over de kille wereld van de berekende economie. Hij heeft het over het Rijk Gods waar wij als mensen nu al (tijdens ons leven op aarde) aan kunnen meebouwen. In het Rijk Gods gelden Gods wetten, en die zijn niet bepaald op moderne mensenlogica gestoeld. God denkt anders. En als wij, mensen, vroeg of laat beseffen dat wij kunnen meehelpen om dat Rijk mee vorm te geven, dan zijn we nooit te laat, zelfs al doen we maar “te elfder ure” mee.