Paul De Grauwe – De limieten van de markt

Dat we onze economie anders dienen te organiseren, is een gedachte die ook bij economen stilaan ingang vindt. Twee Vlaamse topeconomen, met name Geert Noels en Paul De Grauwe, hebben daar de laatste jaren in hun boeken en media-interventies meermaals op gewezen. Geert Noels mocht ik vorig jaar voor Tertio interviewen.

Interne en externe limieten van de markt

Het pleidooi van Paul De Grauwe vinden we terug in De limieten van de markt. De slinger tussen overheid en kapitalisme. Het boek slaagt erin voor economische leken uit te leggen waarom de markt haar limieten heeft. Het kapitalisme, aldus De Grauwe, heeft altijd externe en interne limieten.

Als externe limieten noemt hij o.m. het milieu, de financiële markten en de publieke goederen. De voornaamste interne limiet van het kapitalisme is de bereidheid om te betalen voor een dienst of product. Daarnaast koppelt hij de discrepantie tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie o.m. aan het kortetermijndenken binnen beursgenoteerde ondernemingen. Bij De derde discrepantie – die tussen concurrentie en samenwerking – wijst De Grauwe erop dat samenwerking in onze genen zit, maar dat de soms bikkelharde concurrentie tussen bedrijven en zelfs binnen bedrijven ervoor zorgt dat het menselijk evenwicht danig verstoord geraakt.

Interne en externe limieten van de politiek

Aangezien de zelfregulering van de markten een utopie is, hebben we dus nood aan een regulator : de overheid pakt de externaliteiten van het marktsysteem aan, verschaft publieke goederen en herverdeelt de inkomens en vermogens om het marktevenwicht aanvaardbaar te houden. Maar ook de politiek stuit op externe en interne limieten. Wanneer de markt het laat afweten, moet de politiek ingrijpen. Maar een dergelijke moeilijke situatie maakt het moeilijk om tot actie over te gaan. Daarbij is het balanceren tussen individuele en collectieve belangen.

De politiek botst ook op interne limieten. Een van de voorbeelden die De Grauwe aanhaalt, is de sociale zekerheid. Hoewel de sociale zekerheid als een soort opvangnet de grillen van het marktsysteem kan opvangen, kan het ook de deur openzetten naar een – al dan niet bewust – profitariaat. Zeker in landen waar men er niet in slaagt een antwoord te bieden op de zogenaamde moral hazard, kan dat de sociale zekerheid uithollen.

Markt of overheid?

In een opmerkelijk hoofdstuk over wie nu eigenlijk de bovenhand haalt (markt of overheid?), zet hij de verschillende visies over de rol van markt en overheid naast elkaar. De populaire visie bij managers en werkgeversorganisaties is de volgende : “Het marktsysteem vormt de basis. In het marktsysteem wordt economische waarde gecreëerd. Die economische waarde maakt het mogelijk de overheidssector te onderhouden. Zonder markt is er geen overheid. In deze visie in de overheidssector in zekere zin parasitair. Hij zuigt middelen weg uit de marktsector. Als dat te veel gebeurt, komt die marktsector in gevaar.” (p. 145)

Bij ”overheidsfundamentalisten” komt het omgekeerde voor. De overheid zorgt voor wetten, zodat de markt kan functioneren. De overheid zorgt bovendien o.m. voor infrastructuur en onderwijs. Zonder dergelijke publieke goederen zou economische activiteit volstrekt onmogelijk zijn.

De Grauwe is streng voor beide visies : “Dit hiërarchisch denken deugt niet. (…). Er is geen hiërarchie tussen beide.” (p. 147) Om zijn punt concreet te maken, gaat hij in o.m. in op de discussie rond de loonkosten. Die wordt door werkgevers vaak als een (loon)handicap omschreven, omdat de concurrentiepositie tegenover andere landen in het gedrang dreigt te komen. Nochtans zijn hoge loonkosten niet noodzakelijk problematisch : Noorwegen, Zweden en Denemarken hebben de hoogste bruto uurloonkost, terwijl net die landen hyperconcurrentieel zijn.

Tot slot van het hoofdstuk over de rol van markt en overheid geeft De Grauwe nog het volgende advies mee. Het klinkt eerder als een waarschuwing aan de nieuwe Belgische regering : “De aanvallen op de hoge loonkosten zijn dus ook aanvallen op de correcties die door de overheid in de loop der jaren aan het marktsysteem zijn aangebracht. Als die aanvallen succes hebben, zullen ze zich als boemerang keren tegen diegenen die ze hebben ingezet. Paradoxaal genoeg zijn dat ook diegenen die het marktsysteem verdedigen. Door hun pogingen de hoge loonkosten terug te schroeven, worden deze verdedigers van het marktsysteem in feite de vernietigers ervan.” (p. 170-171)

De wereld van Piketty

Na nog een vrij technisch, maar desalniettemin leesbaar hoofdstuk over de zin en onzin van een gemeenschappelijke Europese munt zonder echte Europese overheid, gaat De Grauwe in op een hot topic : “de wereld van Piketty”. De Franse econoom Thomas Piketty schreef vorig jaar een boek over “Het kapitaal in de 21ste eeuw”. De turf van Piketty op enkele pagina’s samenvatten, is nagenoeg onbegonnen werk. Toch slaagt De Grauwe erin de voornaamste ideeën van de Fransman aan te geven. Het komt erop neer dat het rendement op privékapitaal na de Tweede Wereldoorlog sterk gestegen is. Dat komt omdat het marktsysteem er op een gegeven moment voor gezorgd heeft dat nogal wat landen de inkomensbelastingen drastisch verlaagden. Door o.m. speculatieve beleggingen stijgt dat kapitaal t.o.v. het BBP. Die dynamiek zet de verdeling van inkomen onder druk.

Als oplossing voor dit probleem stelt Piketty een vermogensbelasting voor. Boven een bepaald vermogen – De Grauwe stelt in navolging van Piketty 1 miljoen euro voor – kan progressief een belasting geheven worden van 1% tot 4%. Dat een dergelijke visie voer voor discussie is, hoeft ons niet te verwonderen. Denken we b.v. maar aan de huidige discussies in België over hoe we met zijn allen moeten besparen.

Of de broodnodige hervormingen ons uiteindelijk zullen vrijwaren om in de toekomst crisissen te vermijden, valt uiteraard moeilijk te voorspellen. Maar één ding is zeker, aldus Paul De Grauwe: “Als we niet tot actie overgaan, zullen onze kleinkinderen ons niet vergeven dat we niets ondernomen hebben om hen te redden. Dat op zich is voldoende motivering om te blijven doorgaan.” (p. 232)