Barmhartigheid en hartelijkheid

Homilie bij de lezingen van de 30ste zondag door het jaar (C II)

Wie al eens op een speeltuin komt, ziet de kinderen de zotste dingen doen. En af en toe roepen ze ook eens naar de ouders aan de kant: “Kijk eens, mama, hoe goed ik het kan?” Waarop de ouders spontaan zullen zeggen: “Amai, dat is flink.”

En eigenlijk doen volwassenen dat ook: op het werk of in de sportclub meten ze zich met anderen en op het einde van de rit worden ze ook nog beloond voor wat ze goed doen in vergelijking met anderen. “Kijk eens, baas, ik heb zoveel verkocht. Door mijn verdienste is de omzet flink gestegen. Nu heb ik toch wel recht op een mooie bonus.”

Zoals zovele keren tart Jezus de wetten van de menselijke logica en de moderne bedrijfslogica. “God, bedankt dat ik niet ben zoals die tollenaar daar”, zegt de Farizeeër. Hij is een man van de Wet. Hij kent de Wet door en door. Hij leeft ernaar, door te vasten en door “tienden” (d.w.z. 1/10 van zijn inkomen) te geven. Objectief en rationeel heeft die man alle reden om te zeggen dat hij goed bezig is. Hij heeft met zijn navolgen van de letter van de Wet zichzelf als het ware gerechtvaardigd. Hij zorgt er – daar is hij toch van overtuigd – zelf voor dat hij de Liefde van God verdiend heeft.

Die logica zien we niet bij God, toont Jezus ons. Elke mens is de moeite waard. Dat die Farizeeër de Wet volgt en dus vast en van zijn overvloed schenkt, daar zal Jezus het niet moeilijk mee hebben. Waar hij het wel moeilijk mee heeft, is het uiterlijk vertoon van die man. De Farizeeër mag dan wel doen wat de Wet voorschrijft, zijn houding tegenover de minder bedeelde medemens is er een van misprijzen.

Zijn innerlijke overtuiging belet hem Jezus echt na te volgen en Gods Geest echt toe te laten. Nochtans, zegt de eerste lezing van vandaag: “Bij de Heer is geen aanzien des persoons”. En als hij dan toch moet kiezen, kiest hij de tollenaar, die in alle nederigheid zijn fouten erkent en met lege handen bidt. “Een vermorzeld hart wijst Gij niet af”, schrijft de psalmist al (Ps 51). “Hij luistert naar het pleit van de verdrukte”, lezen we bij Jezus Sirach (eerste lezing). “Hij wijst het gezucht van de wezen niet af, noch van de weduwe wanneer zij blijft klagen.” En als niemand anders zich om mij bekommert, zal het de Heer zijn die mij nabij is, staat bij Paulus.

Goede vrienden, dat ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheid. We worden wel degelijk opgeroepen ook de Wet te onderhouden. Heeft Jezus trouwens niet zelf gezegd: “Ik ben niet gekomen om de Wet af te schaffen, maar om hem te vervullen”? Er is op zich niets mis met vasten en giften doen. Maar dan moet de innerlijke overtuiging er ook naar zijn. De Wet volgen doen we niet om onze eigen wil, maar om Gods wil te doen. Opdat Zijn Rijk kome. Opdat Zijn Naam “geheiligd worde” – zoals het binnenkort in het Onzevader klinkt.

Het evangelie van vandaag is een ondubbelzinnige oproep tot barmhartigheid en hartelijkheid. De Farizeeër die met een goede ingesteldheid zijn medemens benadert, hem gastvrij onthaalt en op verhaal laat komen, staat al een stapje dichter bij hoe God zijn Rijk gewild heeft. Niet omwille van zijn eigen naam. Maar omdat hij op zijn manier wegwijzer is naar God en iets van Zijn Barmhartigheid laat oplichten.