Vissen vraagt basishouding van hopen, vertrouwen en geloven

Preken over “Vissers van mensen”. En over eenheid. Tijdens de Gebedsweek voor de Eenheid van de christenen.

Goede vrienden

We horen bij Jesaja opnieuw de woorden van Kerst klinken. Alsof we nog eens herinnerd worden aan hoe het was voor de geboorte van Christus. Dankbaar blikken we terug op dat grote moment. Stilletjesaan verspreidt het Licht van Kerst zich en krijgt het opgroeiende Kind een plaats in ons leven.

Maar naarmate het Kind opgroeit, neemt de onenigheid toe. Hoe moeten we het opvoeden? Hoe streng moeten we zijn? Wat mag en wat mag niet? En hoe gaan we ermee om als we het als “ouders” niet met elkaar eens zijn. Paulus is daar duidelijk over: hij roept op tot eenheid. “Is Christus verdeeld?” vraagt hij. Het is wat men noemt een retorische vraag. Paulus kende als geschoolde en welopgevoede Griek het klappen van de zweep. Natuurlijk is Christus niet verdeeld. Wel integendeel, we zijn allemaal leden van hetzelfde lichaam – zo zal hij even verder in de Korintiërsbrief (hoofdstuk 12) betogen.

We zijn niet gedoopt in de naam van Paulus. Of van Apollos. Of van Kefas (Petrus). We zijn allemaal gedoopt in de naam van Christus, in dezelfde Geest. Christus is de naam die ons verbindt. Hij maakt ons tot broers en zussen van elkaar. En natuurlijk zijn er verschillen, zoals in elke familie. En natuurlijk zijn sommige verschillen van die aard dat ze op het eerste gezicht niet of moeilijk te overbruggen zijn.

De woorden van Paulus klinken bijzonder in deze Gebedsweek voor de Eenheid. Hij nodigt uit voorbij het eigen Grote Gelijk te kijken en in de eerste plaats aandacht te hebben voor wat ons verbindt, in plaats van nadruk te leggen op wat ons scheidt. Niet dat we die onenigheid zomaar onder de mat moeten vegen. We mogen en moeten de dialoog met andere, niet-katholieke christenen aangaan. Maar het nadeel van de verscheidenheid weegt niet op tegen het voordeel van de samenhorigheid.

Het is alleen in die eenheid in verscheidenheid dat we als navolgers van Christus wat te vertellen hebben. Alleen dan kunnen we – met de woorden van het evangelie van vandaag – “vissers van mensen” worden. Als Jezus ons roept, heeft dat altijd iets dwingends. En hij maakt daarbij geen onderscheid naar rang of stand. Er zat wat bij, bij die twaalf apostelen. Naast vissers was er ook een tollenaar – iemand die geld verdiende op de kap van anderen en niet direct geliefd was bij de gemiddelde jood – en een zeloot – een radicale jood – bij.

Dat moet een bonte bende geweest zijn. En net daardoor zijn ze een spiegel voor ons. Wij zijn ook een bonte bende. Een bonte bende die wordt opgeroepen om Hem te volgen. Als vissers. Jezus, zelf zoon van een timmerman, gebruikt het beeld van de visser om uit te drukken wat hij van zijn volgelingen verlangt. Voor een visser is er geen duidelijk verband tussen de inspanning die hij in zijn werk stopt en het resultaat van zijn inspanning. Terwijl een timmerman kan zien hoe het werk van zijn handen vordert, gooit een visser zijn netten in het water en is het daarna afwachten wat onder de oppervlakte gebeurt. Vissen vraagt een basishouding van hopen en vertrouwen, van geloven. Het is deze basishouding die Jezus aan elk van ons vraagt. Wie mensen vist, wie dus op weg gaat met mensen en zich inspant voor de liefde, die moet bereid zijn om zekerheden los te laten en te hopen en te geloven.

Ja, we zijn een bonte bende, maar we mogen ons verenigd weten in geloof, hoop en liefde. Laten we vissen, laten we proberen om in de manier waarop we met elkaar omgaan, in de manier waarop we met anderen omgaan, te midden van het leven van elke dag, een zichtbaar en vreugdevol teken te zijn van de liefde van Christus. Elk op onze eigen manier, in alle broosheid en in alle eenvoud.

Jes 8, 23 – 9, 3
1 Kor 1, 10-13.17
Mt 4, 12-23

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *