Als ge Mij liefhebt…

Een homilie over Liefde van twee kanten, beminnen en bemind worden. En hoe je daar vreugdevol van leeft.

Hand 8, 5-8.14-17
1 Pe 3, 15-18
Joh 14, 15-21

Niet zo lang geleden zag ik een jong koppeltje op een bank zitten, ergens in een park. De jongen was van alles aan het uitleggen, maar het meisje zat aan haar gsm gekluisterd en reageerde nauwelijks op wat hij haar zei. Wat ze precies bespraken, weet ik niet, daarvoor zat ik te ver, maar op een gegeven moment werd de jongen boos, nam hij haar smartphone af en gooide die in het gras. Pas dan keek ze naar hem. Ze maakten even ruzie – ik kon zelfs een paar flarden van verwijten over en weer horen vanop afstand – maar uiteindelijk werden ze rustig en hadden ze oog voor elkaar op de wijze zoals alleen een jong koppeltje dat kan.

Dat koppeltje realiseerde zich uiteindelijk dat de liefde van twee kanten komt. Eenrichtingsverkeer is frustrerend voor de andere. Je zou voor minder kwaad worden, toch? En tegelijk vraagt liefde rust en ook omgekeerd: brengt rust liefde. Liefde in wederzijdse aandacht voor elkaar: een mooier cadeau kunnen geliefden en goede vrienden mekaar niet doen.

Wel, goede vrienden, zo ook is de Liefde van en voor Christus tweerichtingsverkeer. En daarover precies gaat dat mooie evangelie van vandaag. Over de gave van de Geest, de cadeau die Christus ons geeft.

“Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden.” “Wie mijn geboden onderhoudt, hij is het die Mij liefheeft.” Die geboden, daar heeft hij het bij Matteüs over: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand” en “heb uw naaste lief als uzelf.”

Hoe mooi dat allemaal ook klinkt, makkelijk is het niet. Want hoe moet je iemand liefhebben die je niet “ziet”? Welnu, zegt Jezus, ik zend mijn Geest; mijn “Helper”, noemt hij Hem. Nu moet je weten: dat is een beeld uit de joodse rechtspraak. Als een vonnis uitgesproken was, kon iemand met gezag stilzwijgend naast de beschuldigde/veroordeelde komen, om daarmee in stilte de rechters aan te klagen.

Als wij Jezus liefhebben in woord en daad, als wij zijn geboden onderhouden, als wij hem in liefde navolgen, staan we er niet alleen voor als we “verantwoording moeten afleggen”, zoals de Petrusbrief het uitdrukt. Hij belooft dat de Geest dan bij ons, met ons en in ons zal zijn, zodat we ons “met zachtmoedigheid en gepaste eerbied” kunnen verdedigen. Samen met een Helper, die zwijgend naast ons komt staan om ons te steunen, “voor wie de wereld niet ontvankelijk is, omdat zij Hem niet ziet en niet kent.” Dat kennen is in de Bijbel een liefdevol “kennen”, zoals we in de volksmond van dat jonge koppeltje zouden zeggen: “Ze hebben kennis met mekaar”.

Kennen in de Bijbel komt altijd van twee kanten. En als we Christus leren kennen of als hij zich aan ons te kennen geeft, dan opent dat poorten. Als we hem willen kennen, zullen we Hem ook zien en zullen we ook zijn Helper zien. En dat geeft leven in overvloed. De Geest van waarheid doet ons Christus kennen, om uiteindelijk door de Vader bemind te worden.

Laten we ons van die gedachte doordringen, tussen Pasen en Pinksteren. Laten we kijken rondom ons: waar is die Helper werkzaam bij mezelf en bij anderen? Laten we die Geest van waarheid ook toe op ons eigen levenspad. Zo begrijpen we misschien toch iets van wat de eerste lezing beschrijft: “Daarover ontstond grote vreugde in die stad.”