Oogst

“De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig.” Van zo’n zin zou een christen in de 21ste eeuw moedeloos worden. Maar lezen we wel wat er staat? En begrijpen we het wel goed?

Goede vrienden

“De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig.” Dat klinkt als een noodkreet. We hebben te weinig mensen in de kerk om te doen wat we moeten doen. Het wordt allemaal te veel voor te weinig mensen. Hoe kunnen we in die zin de “vreugde van het Evangelie” – de Blijde Boodschap – op het spoor komen? Zou het kunnen dat we vooral de eigen schrik lezen in Jezus’ woorden?

Er staat niet dat er veel werk is. Er staat: “De oogst is groot.” De oogst is een uitdrukking van de zegening, van het geschenk van God. De oogst is een feest. Horen we dat niet ook bij Jesaja? “Zij zullen lachen en juichen als op de dag van de oogst.” Als de dag van de oogst is aangebroken, is het eigenlijk te laat om nog in actie te schieten. Alles is al gebeurd. Tegelijk is het allesbehalve de dag van hopeloze situaties, maar integendeel van grote verwachtingen: hoezeer zijn we dit jaar gezegend? Laten we maar beginnen de vruchten van de oogst te plukken.

De oogst is er. De dag van grote vreugde – de dag dat we de vruchten van de oogst mogen en kunnen plukken – is er. En er is genoeg voor iedereen. Het diepe leven van het Rijk Gods is geen toekomstvoorspelling, maar breekt nu al aan en door. En Jezus? Die stuurt de twaalf apostelen erop uit. Direct. Hij begint met wie Hij heeft. Dat is precies hoe verandering begint, zonder alles direct te willen.

Die zending door Christus ontvangen wij ook. En het is geen persoonlijk project. Om Christus authentiek na te volgen, moet onze zending geworteld blijven in Zijn Woord. Hij zal ons zeggen wat we moeten doen, maar dan moeten we wel luisteren, natuurlijk. Door aandachtig te luisteren gedragen we ons ten diepste als kinderen van God. In de woorden van de eerste lezing: “Als gij aan mijn woord gehoorzaamt en mijn verbond onderhoudt, dan zult ge van alle volken op bijzondere wijze mijn eigendom zijn.” (eigenlijk: “zult ge mij kostbaarder worden dan alle gemeenschappen”).

Vrienden, er is nog iets met het evangelie van vandaag. Alle twaalf de apostelen worden bij naam genoemd: Simon, Andreas, Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs, Tomas, Matteüs, Jakobus, Taddeüs, Simon en Judas. Het toont het respect van Jezus voor wie zijn apostelen zijn. In de kerk van vandaag is dat ook zo. Priester, diaken, acoliet, lector – je bent niet zomaar een functionaris. Bij de doop word je bij je naam geroepen. En die naam behoud je je hele leven. Wie in de kerk actief is – of je nu als bisschop, priester en diaken of als geëngageerde gedoopte geroepen wordt, dat maakt dan op zich niet zoveel uit –, kleurt zijn “functie” door zijn persoonlijkheid.

Tegelijk vormen wij hier met zijn allen gemeenschap met alle andere gemeenschappen in onze nieuwe parochie, in ons nieuwe dekenaat, in ons bisdom, in onze kerkprovincie tot en met de wereldkerk. En ook al zien we de oogst misschien niet helemaal, toch mogen we vertrouwen dat die overvloedig zal zijn. Dat we sowieso gezegend zijn met de vruchten.

Ex 19, 2-6a
Rom 5, 6-11
Mt 9, 36 – 10,8