Het voornaamste gebod

Misschien heb je ook al eens meegemaakt. Iemand stelt jou een vraag, niet zozeer om zelf een antwoord te krijgen, maar wel om te testen wat je over die of die kwestie denkt. Zodat hij kan vaststellen of je wel “een echte” bent. Maar wat je ook antwoordt, voor de enen zal het niet ver genoeg gaan en voor de anderen gaat het te ver. Als mensen weten dat je gelovig in het leven probeert te staan, hebben ze gewoonlijk een hele batterij testvragen: over de onzin van menselijk lijden, over de positie van de vrouw in de kerk, over voor of tegen euthanasie of abortus.

Jezus zou Jezus niet zijn als hij niet iedereen lik op stuk gaf en te denken geeft. Het tweeledige antwoord op de testvraag “Meester, wat is het voornaamste gebod?” is slechts schijnbaar eenvoudig. Je moet weten: de joden kenden 613 geboden en verboden – 365 geboden, voor elke dag een, en de rest verboden. Een joodse Bijbelcommentaar zegt trouwens dat als iedereen die 613 geboden en verboden in ere houdt en zorgvuldig nakomt, dat God dan onder ons is.

Zoals zo vaak geeft Jezus een verrassend antwoord: “Gij zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart, heel uw ziel en heel uw verstand”. Alles wat je hebt, moet je ten dienste stellen van God. Dat is het uitgangspunt van de gelovige. Alleen zo kunnen we als christenen die naam waard Jezus navolgen: door God voorop te stellen. Niet zomaar als een praktische bijkomstigheid of een goedkope formule, nee, met alles wat we hebben. Met alles wat ons mens maakt: ons hart, onze ziel en ons verstand. Als we inderdaad geloven dat God ons liefheeft met alles wat Hem tot God maakt – alles overstijgende barmhartigheid en nabijheid –, dan is dat gebod van de wederkerigheid logisch: we beantwoorden als christen in de eerste plaats de allesomvattende Liefde die we mogen ervaren. En zoals het in de liefde gaat: die vraagt wederkerigheid, met alles wat we hebben en zijn.

Misschien nog opmerkelijker is het tweede gebod, “daarmee gelijkwaardig: gij zult uw naaste beminnen als uzelf”. Dat wil niet zeggen: jezelf ten koste van alles en iedereen wegcijferen. Je mag jezelf graag zien. En het is pas als je zelf je plaats in het leven hebt gevonden, dat je ook anderen kan beminnen – omdat ze dan pas je naaste mogen worden.

Net zoals de relatie met God je menselijker maakt, doet ook je relatie met de naaste dat. Ook dat is typisch menselijk. Door de liefde van God te beantwoorden word je ten volle mens en kan je die goddelijke liefde doorgeven. Zo komt iets van God aan het licht in ieder van ons. Zoals Jezus het ons heeft voorgedaan. En misschien zijn dat op het eerste gezicht weinig spectaculaire dingen, maar toch: het loont de moeite ons regelmatig af te vragen of we Jezus aan het werk gezien hebben. En er elkaar over te vertellen.

Zo nemen we het gebod van vandaag ter harte. Door de goddelijke Liefde effectief te zien en als dusdanig te benoemen. Let wel, het gaat niet om de wollige liefde van stationsromannetje – hoe goed die ook geschreven kunnen zijn. En het ontslaat ons niet van de rest. Maar die rest is veeleer de vrucht dan de voorwaarde: “Aan deze geboden hangt heel de Wet en de Profeten”. Anders gezegd: als we ons laten doordringen door de goddelijke Liefde en die Liefde doorgeven aan onze naaste, dan is de logische consequentie dat we de Schrift als richtsnoer voor ons “leven in de navolging van Christus” gebruiken.

Het Evangelie – en bij uitbreiding de hele Bijbel – is geen droge ethische code of een checklist van geboden en verboden hoe we ons al dan niet moeten gedragen. Het Evangelie moet vanuit de wederzijdse Liefde geleefd worden. Pas dan wordt het Evangelie wat het echt betekent: Goed nieuws!

Ex 22, 20-26
1 Tess 1, 5c-10
Mt 22, 34-40