Tegendraads vuur

“Denk maar niet dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen. Integendeel, ik breng verdeeldheid.” Is Jezus de pedalen kwijt? Is hij zo geradicaliseerd dat Hij niet langer in staat is zijn boodschap van hoop in de wereld te brengen? Is dat dan de Blijde Boodschap van Hem die we tijdens de Kerstnacht “Vredevorst”, “Koning van de Vrede” noemen?

Radicaal anders

Het is – zoals wel vaker – belangrijk die zinnen in hun context te bekijken. Het Evangelie van vandaag begint dan ook als volgt: “Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, wat zou ik graag willen dat het al brandde!” Als er een iemand is die hartstochtelijk – met vuur ! – het Evangelie verkondigt, dan is het zeker toch wel Christus. Hij hunkert naar een onblusbaar vuur, maar moet vaststellen dat het niet zo’n vaart loopt als hij misschien wel zou willen. Blijkbaar is zijn Boodschap zo radicaal anders dan wat mensen gewoon zijn, dat het moeilijk is ze te laten aanslaan. Gods omgekeerde logica is zo tegendraads. En dat kan tot verdeeldheid leiden, stelt Jezus vast.

Zelf zoon of dochter

En de menselijke verbanden zijn dermate nieuw dat biologische familie niet langer de maatstaf is. Als gedoopten worden we – in navolging van de Zoon – zelf zoon of dochter van God. En dat kind-zijn strookt niet noodzakelijk met de biologische verhoudingen binnen de familieverbanden zoals wij die als mensen definiëren. Er is maar één hemelse Vader en wij zijn als christenen allemaal broers en zussen. Het is aan ons om daar bewust “ja” op te antwoorden en ermee op weg te gaan. Maar we kunnen evengoed “nee” zeggen. En dan leidt dat tot verdeeldheid. Zelfs binnen het eigen gezin kan dat tot tegenstellingen leiden. Maar de oproep tot navolging van Christus is zo radicaal dat ze alleen een vurig “ja” accepteert.

Doordringen

Onze “nieuwe” broers en zussen zitten naast, voor of achter ons, in deze kerk. Of op elke andere plaats waar christenen op zondag samenkomen om zijn leven, dood en verrijzenis te gedenken. En hoewel het er in het Westen van langsom minder worden, zijn het er nog nooit zoveel geweest op wereldschaal. We zijn – in de woorden van de Hebreeënbrief – “omringd door een menigte geloofsgetuigen”, allemaal broers en zussen van ons. Als we Christus willen navolgen, moeten we leven “met de blik op Jezus gericht”. Niet omdat we slaafs willen doen wat hij deed – dat zouden wij nooit kunnen –, wel om de radicaliteit van wat hij deed en zei onder ogen te zien en te beluisteren. “Laat u doordringen hoe hij standhield”, klinkt het.

Profetisch leven

Nee, dat is niet altijd makkelijk. En toch. We worden geroepen om die navolging ook in de praktijk te brengen. Door – zoals Jeremia in de eerste lezing – (letterlijk) profetisch te leven en te spreken. Dat valt niet altijd in goede aarde. De raadsheren uit de eerste lezing willen de profeet dood: het ultieme middel om iemand het zwijgen op te leggen. Maar door een profeet te doden verander je nog niet de rauwe realiteit. Een profeet draagt bovendien niet noodzakelijk de oplossingen aan. Misschien valt die realiteit ook niet “op te lossen”. Maar omdat de profeet er gestalte aan geeft – in woord en/of in daad –, kunnen we ermee op weg gaan en worden we wel verlost. Niet oplossen, maar verlossen, dus.

Laten we de radicaliteit van de Blijde Boodschap onder ogen brengen. Het gaat om een fundamentele boodschap van bevrijding, voor iedereen, waar ook ter wereld. Vrienden, laten we profeet zijn en zo voor iedereen het volle leven in verbondenheid mogelijk maken. Laten we dat vuur ontsteken. Tenslotte is dat toch de reden waarom Christus onder ons is komen wonen.

Lezingen:
Jer 38, 4-6, 8-10
Heb 12, 1-4
Lc 12, 49-53